Scouting Nunspeet

Geschiedenis

Bram IJzerman en Scouting in Nunspeet

Onze groep en Brams Troephuis zijn genoemd naar Bram IJzerman. Hij was een van de eerste welpen van Nunspeet en werd in maart 1945, op 19-jarige leeftijd, samen met zijn vader gefusilleerd. Dit is zijn verhaal, en dat van de padvinderij in Nunspeet in de jaren dertig en veertig.

Het gezin IJzerman (1894–1925)

Op 10 juli 1925 wordt in het gezin IJzerman een zoon geboren. Hij krijgt de naam Abram Arie IJzerman, naar zijn overgrootvader en grootvader van vaderskant. Iedereen noemt hem Bram.

Om zijn leven goed te begrijpen, gaan we eerst iets verder terug in de geschiedenis van Nunspeet. In 1894 koopt de heer F.A. Molijn jr. veel grond in het dorp. Een jaar later richt hij met zijn eerste vrouw de naamloze vennootschap Maatschappij de Veluwe op. Rond dezelfde tijd wordt in Diemen Pieter Bastiaan Jan IJzerman geboren, zoon van een onderwijzer. Piet heeft één zus, die drie jaar ouder is.

In 1901 benoemt Molijn een koopman uit Heemstede tot president-commissaris van NV de Veluwe. Piet IJzerman, die dan werkt bij de werf Conrad in Haarlem, leert later diens dochter kennen: Elisabeth Berendina van Waveren. Het klikt, en op dinsdag 8 augustus 1920 trouwen ze. Het paar gaat wonen aan de Grooteweg (nu de Molijnlaan) en noemt het huis Huize Bloemenheem. Piet werkt dan al sinds maart als adjunct-directeur bij NV de Veluwe.

In 1922 overlijdt de moeder van Elisabeth in Heemstede. In mei 1923 wordt het eerste kind van Piet en Elisabeth geboren: een dochter, Maria Theodora, die Marijke wordt genoemd. Datzelfde jaar wordt Piet samen met de heer Kolkman en dokter B. Plomp jr. commissaris van een nieuwe filmvereniging in het dorpshuis. Het is waarschijnlijk de eerste van de vele nevenfuncties die hij in de jaren daarna krijgt.

Jeugd in Nunspeet (1926–1933)

In 1926, als Bram net een jaar oud is, overlijdt oma IJzerman in Bloemendaal. Ze wordt maar 59 jaar. Over de jaren daarna is niet veel bekend. In 1927 krijgt Huize Bloemenheem – de naam is een samenvoeging van Bloemendaal en Heemstede – een aansluiting op het telefoonnet, onder nummer 3. Handig, want Brams vader is inmiddels ook politiek actief. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van dat jaar haalt hij voor de Vrijheidsbond zeven voorkeurstemmen.

In datzelfde jaar gaan padvinders van de eerste padvindersgroep van Nunspeet met zo'n 300 andere Nederlandse padvinders op kamp in Engeland. Het is ook het einde van die eerste groep: er is geen opvolger voor de hopman te vinden.

Het gezin blijft niet bij twee kinderen. Op een koude dag in januari 1929 krijgt Bram een broertje, Peter. Bram gaat naar de openbare lagere school, en in Nunspeet wordt opnieuw een padvindersgroep opgericht. Op 15 december 1931 is het gezin compleet met de geboorte van Jan Erlo. Op een klassenfoto uit 1931 staat Bram op de onderste rij, derde van links.

De eerste welpenhorde (1933–1935)

In januari 1933 wordt Hitler rijkskanselier van Duitsland. In Nunspeet onderzoekt vader IJzerman ondertussen de mogelijkheden voor een zwembad. De Vereniging voor Vreemdelingenverkeer wil een zwembad bij de Eperweg, op een stuk grond dat goedkoop van de familie Venster te krijgen is. Voor 40.000 gulden kan er een restaurant komen en een verwarmd zwembad dat in de winter als ijsbaan kan dienen. Het college van burgemeester en wethouders is voor, maar het plan sneuvelt in de gemeenteraad: het zwembad mag op zondagmiddag niet open. Daardoor is het niet rendabel, en het plan wordt afgeblazen. Vader IJzerman schrijft in 1934 als commissielid een ingezonden stuk in de plaatselijke krant over zijn teleurstelling. In dezelfde krant staat een bericht over een geslaagde propaganda-avond van de kring der Nunspeetse padvindsters, onder leiding van voorzitter mevrouw Venster.

In april 1934 vertelt hopman B. Plomp op de ouderavond in hotel De Valk dat de verkenners hard werken in het clubgebouw bij het Ronde Huis. Ze maken ruimte voor de welpenhorde, die sinds januari voorzichtig wordt opgericht. Om te beginnen kunnen zes tot acht jongens van 7 tot 11 jaar meedoen. De jongens worden toevertrouwd aan de leiding van mejuffrouw Kaptein.

Na elf maanden proefdraaien is het op 25 mei 1935 zover. In het bijzijn van ouders en bestuur installeert mevrouw Boeve van het district Zwolle Akela Kaptein. Zij installeert op haar beurt Bram IJzerman en zeven andere welpen, die trots het hordeteken, de wolvenkop, ontvangen. Hopman Plomp geeft de akela een totemstok, en zo is de eerste welpenhorde van Nunspeet officieel een feit.

Op een foto uit 1935 bij pension Kastanjeoord aan de Stationslaan staan de eerste welpen met Akela Kaptein: Harrij Bouwman, Henk Beerekamp, Garke van Marle, Bep van Loon, Kees Meloen en Bram IJzerman. Theo Schaap ontbreekt op de foto.

Vader IJzerman en de Veluvine (1935–1936)

Ondertussen zet vader IJzerman zich flink in voor Nunspeet. Naast zijn werk bij de Veluvine en zijn politieke werk zit hij onder meer in de kascommissies van het Dorpshuis, de Nunspeetse vereniging voor ziekenzorg en de verpleegzorg. Een jaar later doet hij opnieuw mee aan de verkiezingen, voor de Vrijheidspartij. Hij stelt zich ook kandidaat voor de commissie van toezicht op het lager onderwijs, maar daar wordt directeur L.A. Schaap van de melkfabriek gekozen als opvolger van B.J. Dorlas.

In februari 1936 overlijdt W.G. Lohman, de pleegzoon van F.A. Molijn en directeur van de Veluvine. Vader IJzerman wordt dan de enige directeur. De Veluvine heeft het al jaren zwaar. Door de crisis van de jaren dertig en de val van het Britse pond hapert de export, en het bedrijf richt zich vooral op de Nederlandse markt. Toch lukt het hem om onder die moeilijke omstandigheden een groot deel van de inwoners aan het werk te houden. Net als Molijn zet hij zich in voor betere sociale omstandigheden in Nunspeet.

Kabouters, padvindsters en de Jamboree (1936–1937)

In de zomer van 1936 fietsen de verkenners naar Beekbergen om te kamperen bij de Loenense waterval. De laatste zaterdag van juli is er op het terrein van de Roode Schuur bij het Ronde Huis een grote welpendag. Er komen 92 kinderen uit verschillende steden. Ze doen wedstrijden, spelen en boetseren met klei. De Nunspeetse voortrekkers helpen mee. De puntenaantallen liggen dicht bij elkaar, en de dag eindigt met een nagemaakt kampvuur.

In oktober 1936 krijgt Nunspeet naast padvindsters ook kabouters. Mejuffrouw Amy Dorlas wordt als leidster geïnstalleerd en installeert de eerste vijf kabouters. Nunspeet heeft nu een eigen kabouterkring.

Op een foto uit 1936, ergens in het bos, staat Bram helemaal rechtsboven. Verder staan erop: Akela Kaptein, Bagheera Van der Duim, Dick Visser, Henk Beerekamp, Wim Mensink, Wouter Beerekamp, Tom Zegers, Theo Schaap, Gerrie Rooker, Gerrit Kluin, Harrij Bouwman, Bep van Loon en Kees Meloen.

Moeder IJzerman is voorzitter van de padvindsters en kabouters. Tijdens het jaarfeest in april 1937 in hotel De Veluwe neemt zij afscheid van mejuffrouw De Groot. Door werk elders moet die na vele jaren de leiding overdragen aan mejuffrouw L. van Heinigen. Als dank krijgt ze van het bestuur een schemerlamp. Het padvindstersvendel, waar ook Brams zus Marijke lid van is, heeft in de jaren dertig een tijd onderdak in het zomerhuis achter in de tuin van de familie IJzerman.

In 1937 gaat Bram met zijn klas op schoolreis naar vliegveld Waalhaven in Rotterdam.

Die zomer is de Wereldjamboree in Vogelenzang. Duitsland, Italië en Japan doen niet mee. Ook padvinders uit Nunspeet reizen af naar Vogelenzang: 8 verkenners, 1 voortrekker en inmiddels 17 welpen. De welpenhorde doet drie dagen mee. Prinses Juliana en prins Bernhard komen op bezoek, en de 81-jarige Lord Baden-Powell neemt hier afscheid van zijn padvindersbeweging.

Op de algemene vergadering in december in het Dorpshuis – de vorige was drie jaar eerder – gaat het over het aantal verkenners, dat is gedaald van 18 naar 8. Niemand verwacht dat het verder daalt, want er is een bloeiende welpenhorde die de verkenners kan aanvullen: van 7 welpen in 1934 naar 19 in 1937. Het is dus goed mogelijk dat Bram die zomer als welp op de Jamboree was. Ook een aantal Nunspeetse padvindsters deed mee aan dit kamp.

Een gevoel van onveiligheid (1938–1939)

In januari 1938 krijgen de padvindsters en kabouters een nieuw onderkomen: een oude hoofdonderwijzerswoning aan de Laan. Op Sint-Joris verzamelen de padvinders zich 's avonds bij een kampvuur in Oud Soerel, waar erehopman mr. B. Plomp het verhaal van Sint-Joris en de draak voorleest.

Op 1 augustus 1938 volgt burgemeester Martens baron C.W.F. Mackay op, die dertig jaar burgemeester was. Bij de intocht bieden Brams broer Peter IJzerman als welp en Lida Vaassen als kabouter de nieuwe burgemeester bloemen aan.

In december 1938 komt vader IJzerman in het voorlopige bestuur van het eerste huishoudonderwijs, dat op kleine schaal in De Klokkenberg is begonnen. Diezelfde maand wordt hij lid van het comité voor de oprichting van de luchtbescherming. Het gevoel van onveiligheid groeit ook in Nunspeet. Op 16 december is er een propaganda-avond waar inwoners worden opgeroepen lid te worden van de nieuwe vereniging voor luchtbescherming.

In april 1939 houden de Nunspeetse verkenners nog een geslaagde avond in hotel Veluwe. In mei is vader IJzerman vakhoofd van de luchtbescherming in het dorp, en in juni stelt hij zich verkiesbaar voor de Liberale Staatspartij. De kleuterschool, die in het dorpshuis te weinig ruimte had en al een tijd de oude onderwijzerswoning aan de Laan gebruikte, krijgt in juli een nieuw gebouw aan de Schoolweg. Ook dat is mede dankzij vader IJzerman. Een van de twee kleuterjuffen is mejuffrouw L. van Heinigen, de leidster van de padvindsters.

De oorlog breekt uit (1939–1940)

Op 1 september 1939 valt Duitsland Polen binnen. Twee dagen later verklaren Frankrijk en Engeland Duitsland de oorlog. Nederland mobiliseert en wil, net als in de Eerste Wereldoorlog, neutraal blijven. Een dag na de aanval op Polen staat in de plaatselijke krant al een openbare bekendmaking over wat je moet doen bij een luchtaanval.

Op donderdag 9 november opent voorzitter IJzerman een ledenvergadering in hotel Veluwe. Er wordt aangekondigd dat er op 21 november een oefening voor de luchtbescherming is. De vereniging heeft inmiddels 121 leden. Zij krijgen platen waarop staat hoe je moet handelen bij een aanval. Wie geen lid is, kan voor 10 cent een plaat ophalen bij secretaris mr. B. Plomp.

Op de laatste zaterdag van november houden de padvinders een oliebollenactie, zodat arme kinderen een mooi sinterklaasfeest krijgen. Met hulp van Akela Kaptein bakken de padvinders de oliebollen, en de welpen en verkenners verkopen ze in het hele dorp. De actie levert ongeveer 90 gulden op, waar de kosten nog vanaf moeten. Na een geslaagd sinterklaasfeest schrijft de krant dat de padvinderij haar register van goede daden weer met één heeft uitgebreid.

Op Hemelvaartsdag 1940 is er nog een grote districtswelpendag bij het Ronde Huis, met ongeveer 250 welpen.

Oorlog in Nederland (1940–1941)

Op vrijdag 10 mei 1940 valt het Duitse leger Nederland, België en Luxemburg aan. Het Nederlandse leger is niet uitgerust voor een moderne oorlog en wordt onder de voet gelopen. Op 14 mei bombarderen Duitse vliegtuigen Rotterdam, om Nederland sneller te laten capituleren. Generaal Winkelman, de bevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten, staat voor een uitzichtloze situatie en de dreiging dat nog meer steden worden verwoest. Op woensdagochtend 15 mei 1940 tekent hij de capitulatie, met uitzondering van de provincie Zeeland.

Door het verwoeste Rotterdam komen op donderdag 12 juli rond het middaguur ongeveer 400 kinderen met een extra trein aan op het station van Nunspeet, voor een tijdelijk verblijf. In de speeltuin van café 't Vosje komen ze even bij en krijgen ze wat lekkers. Het damescomité brengt de kinderen die in Nunspeet blijven, samen met padvinders, naar hun pleeggezinnen. De andere kinderen gaan per wagen naar de dorpen in de omgeving.

Vader IJzerman moet van de bezetter de ziekenkas opheffen, die meer dan veertig jaar had bestaan. Hij belooft meteen dat De Veluwe zal bijspringen als de uitkering bij ziekte van de staat uitblijft. Als de illegale pers nog in de kinderschoenen staat, zorgt hij al voor drukinkt. Die inkt is een van de vele producten die de Veluvine maakt.

In december lukt het de padvinders niet meer om een oliebollenactie te houden. In plaats daarvan knappen ze speelgoed en andere spullen op die de kinderwagenfabriek heeft geschonken, voor de arme kinderen van Nunspeet.

In januari 1941 doet Bram, dan 15 jaar, mee aan een schaatswedstrijd op de Waschkolk. Hij wint de eerste prijs in zijn leeftijdsgroep. Een maand later meldt de krant dat het troephuis van de padvinderij bij het Ronde Huis opnieuw is vernield.

Op 2 april 1941 verbiedt de bezetter de padvinderij in heel Nederland. De ouders krijgen een brief van de groepsleider, en dan is het over en uit. Een week later schrijven de kranten dat de Nederlandse padvinderij wordt geleid vanuit het internationale padvindersbureau in Londen en een instrument van Britse propaganda zou zijn. Later dat jaar moeten alle kasgelden van de padvinderij die nog niet in beslag zijn genomen, worden gestort op de rekening van een handelsmaatschappij in Amsterdam.

Verzet (1941–1943)

Vader IJzerman staat bekend als een gastvrije en opgewekte man. Thuis op Bloemenheem ontvangt hij regelmatig mensen om illegale plannen te maken. Ondertussen wordt de verffabriek gedwongen om camouflageverf te leveren aan het Duitse leger. Hij doet dat met tegenzin, want anders zou de fabriek worden gesloten en zouden de werknemers naar Duitsland worden gestuurd. Zo mag de fabriek ook de Nederlandse markt blijven bedienen, en wordt er genoeg verdiend om het verzet te steunen.

Dankzij zijn positie en zijn talent om de vijand om de tuin te leiden, houdt hij veel jonge mensen in de fabriek aan het werk die anders in Duitsland te werk zouden worden gesteld. Door zijn vele contacten kunnen mensen voor bijna alles bij hem aankloppen. Zo worden vanuit Bloemenheem onder meer Joodse onderduikers naar onderduikadressen gebracht. Het is dan ook niet vreemd dat hij al snel de leiding krijgt over de Ordedienst (OD). In 1942 krijgt hij hulp van J.F. Ristjouw als adjunct-directeur van de Veluvine. Ondanks al zijn werk, legaal en illegaal, besteedt hij veel tijd aan zijn gezin en sport hij graag. Op een oude foto van het voetbalteam van de Veluvine zit hij gehurkt in het midden.

Het Geheime Dorp (1943)

In januari 1943 meldt de krant dat opa IJzerman vanuit Bloemendaal op Bloemenheem is komen wonen. Rond die tijd heeft de tot Nederlander genaturaliseerde advocaat mr. E.H. Baumhauer van Huize Vierhouten samen met anderen onderduikers verstopt in een oude schaftkeet in het bos.

Opa Bakker, die later bekend zou worden, vertelt een vriend dat hij onderduikers bij zijn huis heeft verstopt. Hij wil samen met zijn vrouw, tante Cor, onderduikers in het bos van eten voorzien. Zo ontstaat het plan om meer onderduikers in het bos onder te brengen. Dirk Vierhout regelt het vervoer, en samen zoeken ze bouwmateriaal om hutten te bouwen in het Soerelse bos.

Voorbij de boswachterswoning van Mazier, aan het begin van de Pas-Opweg, liggen hutten met namen als Vrij Nederland, Blokhut, Oranjehaven en de Bimhut, naar de prinsesjes Beatrix, Irene en Margriet. Verderop, voorbij de Pas-Op richting Gortel, worden in een perceel jonge dennen hutten gebouwd voor onder anderen Joodse onderduikers. Uiteindelijk staan er negen hutten, verdeeld over vier kampen. Het Geheime Dorp, zoals het later wordt genoemd, is een feit. Een van de hutten heette de Antimoffenhut.

Als vergelding voor de staking van 30 april 1943 bij de melkfabriek en het postkantoor worden op zondag 2 mei gemeentesecretaris Van Marle, directeur L.D. Schaap van de melkfabriek en vijf andere inwoners opgepakt. Meneer Schaap komt al snel vrij, omdat hij hoofd van de luchtbeschermingsdienst is. Kort daarna staat in een advertentie van het bevolkingsregister dat Bram IJzerman naar Deil is vertrokken. We kunnen alleen raden of dat was om de bezetter op het verkeerde been te zetten.

Radio's worden verboden, maar het gewone leven gaat ook door. In november is er in hotel De Veluwe een vergadering van de vereniging voor volksonderwijs. Vader IJzerman is daar na de dood van W.G. Lohman voorzitter geworden.

Een donkere tijd (1944)

Op Goede Vrijdag 1944 doen de Duitsers midden in de nacht een inval in De Paddestoel, het huis van de familie Schaap. Ze hebben gehoord dat er onderduikers zijn. Bij de huiszoeking vinden ze na een tijd twee mannen plat in de dakgoot: de neef van mevrouw Schaap en de broer van meneer Schaap. Alle vier worden opgepakt. Na negen weken komt mevrouw Schaap vrij uit het huis van bewaring in Arnhem. Vader IJzerman smokkelt een bericht de gevangenis in, waarin hij Schaap laat weten dat er in De Paddestoel geen wapens zijn gevonden. Zijn buurman, een paar huizen verderop, kan opgelucht zijn.

Op het terrein van de Veluvine begint de bouw van een recreatiegebouw. De directie vindt dat het personeel, ondanks de oorlog, goede wasruimtes en een ontspanningsruimte moet hebben.

Op 2 september trekken de geallieerden België binnen, en een dag later begint in heel Nederland de spoorwegstaking. Opa Bakker, gepensioneerd spoorwegbeambte, krijgt het nog drukker: naast de onderduikers helpt hij nu ook stakende spoorwegmensen. Als de geallieerden op 17 september beginnen met Operatie Market Garden, valt in Nunspeet de hele stroomvoorziening uit. Om de mensen in de verffabriek toch aan het werk te houden, maakt de fabriek alleen nog Veluplex-noodruiten. Dat is waterbestendig bordpapier met kleine ronde kijkgaatjes, een goede vervanging voor de vele ruiten die door bombardementen zijn gesneuveld. Een week later moeten ongeveer 95.000 mensen Arnhem verlaten. Velen zoeken hun toevlucht op de Veluwe.

In september 1944 heffen de Duitsers de gewone rechtspraak op. Verzetsmensen, door de bezetter terroristen genoemd, mogen voortaan zonder proces worden doodgeschoten. Zo worden de overvolle gevangenissen leger en de rechtbanken ontlast. Het geeft de Duitsers ook een nieuwe manier van vergelding: na een actie van het verzet doden zij voortaan zogenoemde Todeskandidaten.

Op de laatste dag van september wordt de 20-jarige Hilbrand Johannes Baar, 'Brammetje', gearresteerd bij een wapentransport. Hij is de zoon van de stationschef van Hulshorst en zit in het verzet in Hulshorst en Hierden. Hij fietst met twee kameraden naar Ermelo als ze de Grenzzollpolizei tegenkomen. Zijn vrienden ontsnappen onder een regen van kogels, Brammetje wordt door drie Duitsers opgepakt. Hij heeft zijn pistool nog, slaat een Duitse politieman buiten westen en ontsnapt alsnog. Hij komt terug in Hulshorst zonder fiets, pistool en portemonnee met papieren.

De nacht daarna wordt tussen Putten en Nijkerk vanuit een hinderlaag een auto met Duitse officieren beschoten. Een officier en een verzetsman komen om. Op 2 oktober 1944, de zwartste dag in de oorlogsgeschiedenis van Putten, worden als vergelding 659 mannen uit het dorp weggevoerd die de dag ervoor bij een razzia zijn opgepakt. Slechts 48 van hen keren terug.

Een dag later wordt Dirk Vierhout, de verhuizer, timmerman en meubelmaker die samen met opa Bakker zoveel betekende voor het Geheime Dorp, in zijn overall uit huis gehaald en gearresteerd. Hij werd gezocht en had zelf ook een tijd in het bos ondergedoken. Op weg naar Apeldoorn stopt de open vrachtwagen bij de boswachterswoning van Gerrit Mazier aan het begin van de Pas-Opweg, die de Duitsers als vergelding in brand hebben gestoken. De gevangenen moeten toekijken. In Apeldoorn wordt Dirk Vierhout op 7 oktober op gruwelijke wijze gedood.

Het Geheime Dorp ontdekt (oktober 1944)

Op zondag 29 oktober 1944 ontdekken twee SS'ers die in het gebied op jacht zijn in de schemering het Geheime Dorp. Ze horen hout zagen en hakken, en vinden dat verdacht. Als ze op het geluid afgaan, zien ze een jongen die water is gaan halen een brandgang oversteken. Na een kort verhoor laten ze hem gaan en halen ze versterking bij De Paasheuvel. Door die beslissing kunnen 78 van de 87 onderduikers ontsnappen.

De andere negen, allemaal Joodse onderduikers, worden opgepakt en opgesloten in de kelder van De Paasheuvel in Vierhouten. Eén van hen sterft die nacht aan een ziekte. Twee worden later aan de voet van De Paasheuvel gefusilleerd. De anderen moeten met een executiepeloton naar het Pas-Opkamp lopen. Ongeveer een kilometer buiten Vierhouten proberen twee onderduikers te vluchten. Eén wordt doodgeschoten, de ander keert terug als zijn zoontje van zes begint te schreeuwen. Er worden drie kuilen gegraven waarin de onderduikers moeten gaan liggen, en daarna worden ze doodgeschoten. Ook de zesjarige John Roelof Meijers ontkomt niet aan dit lot.

Veel van de gevluchte onderduikers vinden hulp bij Hendrik Franken. Hij werkte in 1942 op het distributiekantoor in Nunspeet en werd goedgekeurd voor de arbeidsinzet. Op papier vertrok hij in 1943 naar Duitsland, maar in werkelijkheid bleef hij op het distributiekantoor werken. Toen te bekend werd dat je bij hem terechtkon voor bonkaarten, valse persoonsbewijzen en Ausweise, vertrok hij na een tip naar Almelo. Toen een NSB-buurman het daar te gevaarlijk maakte, dook hij op in Ermelo. Daar werd hij per 1 oktober 1944 ambtenaar op de gemeentesecretarie. Zo kon hij veel van de 87 gevluchte onderduikers, stakende spoorwegmensen en onderduikers voor de arbeidsinzet inschrijven als evacués uit Arnhem. Dankzij Franken vinden de meeste gevluchte onderduikers onderdak in en rond Ermelo.

Gearresteerd (januari–februari 1945)

In januari 1945 begint de Hongerwinter. Duizenden mensen trekken naar onder meer de Veluwe om eten te zoeken. In Hulshorst wordt het zo gevaarlijk dat meerdere leden van de verzetsgroep van de jonge Joop Migchelsen besluiten onder te duiken. Emmy Vroege (later Van Taak) loopt bij het oversteken van het spoor als eerste de bezetter in de armen. Minie van der Saag (20) en Brammetje Baar overkomt hetzelfde. Op 13 januari worden ze alle drie opgesloten in de Jan van Schaffelaarkazerne in Ermelo.

In de vroege ochtend van donderdag 18 januari 1945 arresteert de Sicherheitsdienst Bram IJzerman en zijn ouders aan de Molijnlaan. Ze worden verdacht van banden met het verzet. Bram wordt naar de Jan van Schaffelaarkazerne gebracht en komt in een cel met Johan George Guttling (20). Johan is door een verrader uit Putten aangegeven en is die ochtend ook opgepakt, met alleen zijn kostuum, hoed, overjas, sjaal, een paar sigaretten en lucifers. De cel is onverwarmd en donker, omdat de gangramen met verduisteringsverf zijn beschilderd. Alleen 's avonds van zes tot zeven is er een uur elektrisch licht. Als eten krijgen ze 's middags samen één beker waterige soep en 's avonds een homp brood met koffie.

De tweede dag wordt Johan verhoord en mishandeld. In de loop van de dag neemt vader IJzerman de plaats van Bram in de cel in. Diezelfde ochtend wordt Hendrik Franken opgepakt. Hij was van zijn werk verdwenen nadat een bevriende ambtenaar van de voedselvoorziening met door hem geregelde valse papieren was gearresteerd. Toen hij hoorde dat onderduikers naar hem hadden gevraagd, ging hij toch terug naar de secretarie om hen te helpen. Daar arresteren twee leden van de Gestapo hem en brengen hem naar de Jan van Schaffelaarkazerne.

Samen met Johan regelt vader IJzerman strozakken, een emmer water en bestek. Pas na vier dagen in de onverwarmde cel zonder dekens, terwijl het buiten soms ruim tien graden vriest, wordt het eten beter en regelmatiger, later aangevuld met pakketten.

Een week na de arrestatie van de familie IJzerman komt er een derde man in de cel. Hij blijft maar een paar dagen en wordt door een ernstig medisch probleem naar de ziekenzaal op Veldwijk gebracht. Op 5 februari verlaat ook Johan de cel. Hij wordt aan het eind van de middag met onder anderen Franken per vrachtwagen naar de Willem III-kazerne in Apeldoorn gebracht. Johan Guttling, Hendrik Franken en 115 andere gevangenen worden daar gefusilleerd als vergelding voor de aanslag op Rauter bij de Woeste Hoeve op 8 maart 1945.

Op 13 februari slaat het noodlot ook toe voor de oprichter van het onderduikerskamp. Door een vergissing, met grote gevolgen, pakt de SD opa D.D. Bakker thuis aan de Albertlaan op en brengt hem naar Apeldoorn.

De Bark en de Rademakersbroek (februari–maart 1945)

Op zondag 25 februari 1945 zit een groep van zo'n dertig verzetsmensen, onderduikers en geallieerde piloten bij elkaar in De Bark. Dat is een oude, leeg lijkende boerderij ten zuidoosten van Varsseveld, tussen Aalten en Dinxperlo, waar de knokploeg regelmatig samenkomt. De wacht ziet door een beroete glazen dakpan Duitse soldaten naderen. De Duitsers, die al een paar dagen in de buurt metingen doen, gaan het huis binnen. De groep houdt zich muisstil op zolder, terwijl de soldaten beneden rondkijken en kasten openen, misschien op zoek naar eten. Ze vinden wapens en munitie, een teken dat de verzetsgroep er is. Na een tijdje gaan ze weer naar buiten.

Uit angst voor de gevolgen besluiten de mannen op zolder de drie soldaten achterna te gaan, te overvallen en mee terug te nemen naar De Bark. Ook de chauffeur wordt opgepakt. Na een verhoor eisen ze dat de vier Duitsers deserteren, omdat de oorlog toch bijna voorbij is. De Duitsers weigeren. Er ontstaat een duivels dilemma: vrijlaten kan niet, want dan wordt er alarm geslagen, maar gevangen houden kan ook niet. De verzetsgroep besluit de soldaten op te hangen. Om dat te verbergen, zetten ze de lichamen in hun auto en rijden die langs de weg Varsseveld–Aalten, ter hoogte van de Rademakersbroek, tegen een boom. Met een springlading proberen ze een ongeluk in scène te zetten. Dat lukt maar half. Een Duitse patrouille vindt dezelfde avond resten van springkoord en wurgsporen. Het is duidelijk dat de soldaten zijn vermoord, en de bezetter gaat op zoek naar de daders.

Ondertussen wordt op maandag 26 februari, zonder directeur IJzerman, het 50-jarig bestaan van NV Maatschappij de Veluwe herdacht. Op 1 maart zou hij 25 jaar bij het bedrijf werken, maar hij zit nog steeds gevangen. Om tien uur 's ochtends komt het personeel bij elkaar in het administratiegebouw. De verrassing en blijdschap zijn groot als mevrouw IJzerman onverwacht binnenkomt. Ze was de zaterdag ervoor vrijgekomen uit het huis van bewaring in Arnhem. Haar opgewekte en hoopvolle houding beurt iedereen op.

Namens het personeel en oud-medewerkers worden zeven glas-in-loodramen aangeboden voor het recreatiegebouw, dat nog in aanbouw is. In zijn slotwoord onthult adjunct-directeur J.F. Ristjouw voor datzelfde gebouw een nog niet helemaal af schilderij van directeur IJzerman, die in zijn vrije tijd een verdienstelijk schilder blijkt te zijn. Op het schilderij staat oprichter F.A. Molijn. Ristjouw hoopt dat de gevangenen snel vrijkomen, want pas dan kan het jubileum echt gevierd worden. In de dagen daarna blijkt uit navraag in Amsterdam dat vader en zoon IJzerman in de gevangenis De Kruisberg in Doetinchem zitten. Dat geeft hoop, want daar zouden verhoorde gevangenen zitten die alleen voor kleine vergrijpen vastzitten.

In de Achterhoek wordt nog steeds naar de daders van de moord op de vier soldaten gezocht, zonder resultaat. Omdat er geen daders worden gevonden, besluiten de Duitsers als vergelding willekeurige mannen te fusilleren.

Op vrijdag 2 maart 1945 worden vroeg in de ochtend in De Kruisberg in Doetinchem 46 gevangenen uit hun cellen gehaald en geboeid in een verhuiswagen gezet. Een colonne militaire voertuigen rijdt naar de boerderij aan de Rademakersbroek. Rond half acht worden daar opa Bakker, Hilbrand Johannes (Brammetje) Baar, Pieter Bastiaan Jan IJzerman en Bram IJzerman, samen met de 42 andere gevangenen, een braakliggend graanveld op gedreven en met mitrailleurs doodgeschoten.

Later die ochtend moeten boeren uit de buurt de lichamen met paard en wagen ophalen. Op het kerkhof aan de Sinderenseweg in Varsseveld is een massagraf gegraven, waar de slachtoffers worden begraven.

Bevrijding en herdenking

Een maand later is de Achterhoek bevrijd. De mannen uit Nunspeet worden herbegraven aan de Eperweg.

Op 24 oktober 1945 bezoekt koningin Wilhelmina de Achterhoek. Op de plek van het massagraf legt zij een krans met linten in de nationale kleuren en een margriet in het midden.

De zomer daarna valt op dat het koren op de plek van de executie hoger groeit dan op de rest van de akker. Dat graan wordt apart geoogst en sindsdien bewaard in een glazen stolp. De stolp is onderdeel van het herdenkingsmonument aan de Rademakersbroek, dat in 1949 is opgericht. Elk jaar op 2 maart om 12.00 uur is daar een plechtige herdenking.

In Nunspeet helpt Scouting Nunspeet elk jaar mee bij de dodenherdenking op de begraafplaats waar Bram IJzerman begraven ligt.

Over dit artikel

Dit artikel is in 2015 geschreven door RDW en gebaseerd op eerder gepubliceerde feiten. Staat er toch iets in dat niet klopt? Laat het ons weten via info@scoutingnunspeet.nl.

Met speciale dank aan:

  • P. Yska (Oudheidkundige Vereniging "Ermeloo")
  • het Streekarchivariaat Noord-West Veluwe
  • scoutingvrienden, voor hun hand-en-spandiensten

Voor het deel over Johan George Guttling is gebruikgemaakt van een artikel van P. Yska in het tijdschrift Van 't Erf van Ermel, nr. 72 (september 2014), van de Oudheidkundige Vereniging "Ermeloo".